Een nieuw onderzoek van Natuur & Milieu naar versteende buurten zet Arnhem onverwacht stevig op de kaart. De Geitenkamp, Klarendal en Plattenburg staan in de landelijke top-10. Arnhem komt daarmee drie keer voor in de lijst, vaker dan de meeste andere steden. Dat is opmerkelijk voor een stad die bekendstaat om haar parken en groene karakter.
Lokaal beeld laat andere accenten zien
Naast deze drie Arnhemse buurten valt ook het Graaf Ottoplein en omgeving op. Volgens het onderzoek heeft deze buurt de minste hoeveelheid openbaar groen per woning van heel Arnhem, terwijl het plein op een steenworp afstand ligt van Park Sonsbeek, een van de grootste stadsparken van Nederland. Wie door de wijk loopt ziet volwassen bomen, kleine plantsoenen en een straatbeeld dat allerminst stenig oogt. Toch komt de buurt in de cijfers naar voren als een van de minst groene plekken van de stad. Dat onderstreept dat dit onderzoek vooral theoretisch en cijfermatig is uitgevoerd en uitsluitend kijkt naar statistische oppervlaktes binnen administratieve grenzen. Een rondgang door de wijk had dat beeld waarschijnlijk genuanceerd.
Opvallend genoeg ontbreken wijken als Kronenburg in de landelijke lijst, terwijl je in dit soort stenige winkel- en woongebieden juist een hoge score zou verwachten. Het onderzoek kijkt echter uitsluitend naar verstening in combinatie met sociale kwetsbaarheid. Buurten tellen alleen mee als beide factoren samen voorkomen. Kronenburg heeft wel een relatief versteende openbare ruimte, maar scoort gemiddeld op sociale indicatoren en komt daardoor niet in de categorie zwaarst belaste buurten terecht. Zo ontstaat een ranglijst die niet alleen over stenen gaat, maar vooral over de combinatie van stenen én sociale problemen.
Hoe tekort aan groen ontstaat door meetmethode
De verklaring voor veel uitkomsten ligt in de manier waarop de onderzoekers groen tellen. Ze kijken uitsluitend naar het groen binnen de officiële buurtgrenzen. Sonsbeek ligt administratief net buiten de grens van bijvoorbeeld het Graaf Ottoplein en telt daardoor niet mee. Ook groene plekken die nét buiten de afbakening vallen, verdwijnen uit beeld. De compacte bebouwing en het grote aantal woningen drukken het cijfer verder omlaag. Het resultaat is een statistiek die formeel klopt, maar niet altijd overeenkomt met de leefwereld van bewoners.
Een stad vol parken scoort toch stenig
Arnhem heeft een uitzonderlijk groen karakter, in zowel noord als zuid. Sonsbeek, Zypendaal en Gulden Bodem vormen samen een parklandschap dat uniek is in Nederland. Toch eindigt Arnhem hoog in een landelijke lijst met dichtbebouwde wijken uit grote steden. Dat komt doordat meerdere Arnhemse buurten binnen hun eigen grenzen weinig groen hebben, terwijl bewoners wél direct toegang hebben tot grote parken en groene gebieden. Die nuance verdwijnt zodra buurten uitsluitend worden beoordeeld op hun eigen oppervlak.
De cijfers krijgen desondanks veel aandacht. De politiek in Arnhem reageert gevoelig op dit soort onderzoeken, juist omdat ze lijken te onderbouwen dat er grote problemen zijn die om directe actie vragen. Die aandacht is begrijpelijk, maar kan er ook toe leiden dat beleid zich laat leiden door cijfers die niet altijd het hele verhaal vertellen.
Meer nuance nodig in het gesprek over verstening
Het onderzoek laat zien dat verstening niet altijd te vangen is in één getal. De afstand tot een park, de kwaliteit van schaduw, de luchtstroom door een wijk en het werkelijke gebruik van groen spelen minstens zo’n grote rol als de hoeveelheid groen binnen een buurtgrens. Arnhem blijft daardoor een stad waar statistiek en werkelijkheid soms botsen.