In wijkcentrum Bakermat (Van Nispenstraat 139) hangt momenteel een kleine maar mooie fototentoonstelling over China van de Arnhemse documentair fotograaf Pieter Griffioen. De expositie wordt officieel op 12 december om 16.30 uur geopend en loopt tot 30 januari. Griffioen fotografeert analoog en in zwart-wit, in de stijl van zijn grote voorbeeld Henri Cartier-Bresson. Hij noemt zichzelf een ‘zwerver met een camera’ die geduldig wacht op ‘het beslissende moment’.
Griffioen maakte tussen 1981 en 1991 zes reportagereizen naar China. Dat zijn foto’s over China artistieke kwaliteiten hebben, blijkt uit het feit dat ze geselecteerd werden voor een fototentoonstelling in de Grote Kerk van Naarden met werk van gerenommeerde Nederlandse fotografen die in de vorige eeuw in China gefotografeerd hebben zoals Joris Ivens, Ed van der Elsken en Bertien van Manen.
Scherpte en dramatiek
Griffioen maakte zijn foto’s in het analoge tijdperk ofwel in de vorige eeuw. Met de huidige digitale camera’s kun je eindeloos veel foto’s maken; je kunt daarmee een heleboel beelden per seconde schieten en dan de beste uitkiezen. Dat kon vroeger niet, zeker niet in de verafgelegen oorden waar Griffioen naar toe ging. Je moest zuinig zijn op je fotorolletjes en heel goed kijken voordat je een foto maakte. Hij maakt alleen zwart-wit foto’s “omdat die de scherpte en dramatiek van een tafereel beter tot uitdrukking brengen”. Zijn foto’s maakt hij met een Leica Reflex en geen Japanse spiegelreflex. De Leica is volgens hem betrouwbaarder in extreme weersomstandigheden en laat bij het afdrukken slechts een gedempt plofje horen in plaats van een schelle klik die een tafereel kan verstoren. Griffioen verkiest duurzame, verstilde enigszins statische momenten boven snelle actiefoto’s, maar er gebeurt wel altijd iets op zijn foto’s.
Het beslissende moment
Neem de foto aan de kop van dit artikel die hij in 1991 maakte. “Vooral complexe, enigszins chaotische situaties vind ik een uitdaging”, zegt hij. “Je moet dan wachten én het geluk hebben dat er een moment komt dat alles op zijn plaats valt. En de tegenwoordigheid van geest hebben om op dat moment, het beslissende moment, af te drukken. Het is een kwestie van goed kijken, geduld hebben en hopen dat dat het beslissende moment komt. Soms komt het, soms niet, en dan heb je pech gehad. In 1991 zat ik bij de oude marktstad Leshan in de provincie Sichuan aan de Dadu-rivier. De oude stadwallen uit de zevende eeuw zijn nog intact en in kleine bootjes worden mensen met handkracht overgezet naar de overkant van de snelstromende rivier die honderden meters breed is. Op ‘het beslissende moment’ kon ik alles vangen in één beeld.”

Apotheker
Griffioen is geen beroepsfotograaf. Na zijn middelbare school in Amersfoort ging hij farmacie studeren in Utrecht. In 1975 ging hij werken in een apotheek in Arnhem-Zuid en verhuisde hij naar Arnhem. “In 1982 wilde ik in Apeldoorn een eigen apotheek oprichten, maar ik kwam er al heel snel achter dat het niets voor mij was. Te geestdodend. Ik ben er nog tijdens de voorbereiding mee gestopt. Het was een moeilijke beslissing. Je hebt er acht jaar voor gestudeerd, veel geld in geïnvesteerd… Maar ik wilde geestelijk ruimte voor andere dingen en die kreeg ik door deze beslissing. Toen ik ermee ophield, wist ik niet wat ik zou gaan doen. Ik wilde eerst loskomen van alles. Om geld te verdienen ging ik aan de slag als leraar wis-, natuur- en scheikunde bij huiswerkinstituut De Boer aan de Amsterdamseweg waar ik één op één leerlingen begeleidde.”
Griffioen speelde niet onverdienstelijk piano en dat doet hij nog steeds. Er staat een mooie vleugel in zijn kamer en hij treedt regelmatig op. Maar de muziek bood toch geen uitweg. “Ik kan niet goed improviseren en moet dus van papier stukken spelen die anderen gecomponeerd hebben. Daar kan ik te weinig van mezelf in kwijt. Dat lukt beter in de fotografie. Die werd mijn reddingsboei.”
Henri Cartier-Bresson
Een vakopleiding als fotograaf heeft hij nooit gevolgd. “Als 10-jarige had ik een box-camera met negatieven van 6×9 centimeter; op de middelbare school kreeg ik een kleinbeeldcamera en was ik lid van de fotoclub. Daar leerde ik de techniek van foto’s ontwikkelen en afdrukken. In 1983 werd ik lid van de werkgroep fotografie van Sinus in Den Bosch, een club van professionele en vrijetijdskunstenaars die hun beeldend vermogen verder wilden ontwikkelen. Sinus staat voor een golfbeweging: omlaag op zoek naar wat wezenlijk is en omhoog naar een maximale uitdrukking daarvan. Een voorwaarde was dat je technische vaardigheden in orde waren en om door de ballotage te komen moest je bewijzen dat je over beeldend vermogen beschikte. Dat lukte. Het lidmaatschap van Sinus betekende een doorbraak voor mij. Ik kreeg goede mentoren en maakte kennis met het werk van Henri Cartier-Bresson en Marc Riboud, twee Franse fotografen die lid waren van het beroemde fotocollectief Magnum in Parijs. Zo kwam ik bij de documentaire fotografie terecht, maar ik wilde hen niet kopiëren, ik wilde een eigen stijl en eigen onderwerpen. Onderwerpen waar je flink mee vooruit kunt en die nog weinig gefotografeerd zijn. Het circus is bijvoorbeeld een aardig onderwerp, maar daar hebben zich al veel fotografen op geworpen.”
De wereld van het paardenrennen
“Mijn eerste grote onderwerp werd de wereld van het paardenrennen. ‘Gefeliciteerd’, zei Marrie Bot, mijn mentor bij Sinus. Dat vond ik een compliment. Die wereld kende ik helemaal niet. Ik ben ook niet echt geïnteresseerd in de paarden maar wel in ‘de mens in de paardenwereld’. Het werd voor mij een ontdekkingsreis. Ik kreeg een pasje van de Nederlandse draf- en rensportvereniging en mocht overal fotograferen. Ik heb ook paardenrennen gefotografeerd in Engeland (Ascot, Epsom), Parijs, Praag, Boedapest, Moskou… maar daar kreeg ik die faciliteiten niet. Op een gegeven moment ben je dan klaar met zo’n onderwerp en ga je op zoek naar iets anders.”
China
“Dat werd China voor mij. In 1981 was ik een half jaar op wereldreis geweest. Eerst naar mijn broer in Australië en daarna via Indonesië, China en de Transsiberische Spoorweg terug naar huis. In 1985 ben ik teruggegaan naar China. Probleem is dat je niet overal mag fotograferen. Door lid te worden van de Vriendschapsvereniging Nederland-China lukte het me om toegang te krijgen tot fabrieken, ziekenhuizen, scheepswerven, psychiatrische inrichtingen enzovoort. Natuurlijk laten ze je zien wat ze je willen laten zien en krijg je begeleiders mee, maar het lukte me dan toch om de foto’s te maken die ik wilde maken. Zo was ik eens in een tractorenfabriek. Ze waren daar helemaal verguld met het bezoek van een westerse fotograaf. Ik werd rondgeleid en bij mijn werkzaamheden gevolgd door camera’s. Voor mij leverde dat niets op maar daarna mocht ik vrij rondkijken en fotograferen. Dat leverde wél wat op.”
Gestopt en weer begonnen
Na zes fotoreizen door China, drie door Cuba, één door Peru (waar zijn camera’s gestolen werden, maar waar hij een nieuwe camera kon kopen van een toerist die naar huis ging), enkele door Oostbloklanden vóór en na de val van De muur en twee fotoboeken over China en Cuba, stopte hij er in 2000 ineens mee. “Ik kon het niet meer opbrengen om wekenlang door te brengen in mijn donkere kamer. Ik vond het te allenig. En een goed digitaal alternatief bestond er toen nog niet. Ik ben toen medewerker geworden van de Veluwsche Stroomtrein Maatschappij in Dieren en ben een opleiding begonnen als stoker. Die heb ik overigens niet afgemaakt. Daarna heb ik me beziggehouden met het onderhoud van stoomlocomotieven en de restauratie van een oude loc uit 1929. Treinen en modelspoorbanen zijn een andere hobby van me.”
De documentaire fotografie laat hem echter niet los en heeft hij een paar jaar geleden weer opgepakt. “Ik heb vele duizenden zwart-wit-negatieven. Een selectie daaruit laat ik digitaliseren. Die bewerk ik vervolgens zelf op de computer en laat ik afdrukken bij een gespecialiseerd bedrijf. Daaruit stel ik exposities samen voor galeries en musea.”
Zijn eerste project ging over ‘Paardenrennen in de jaren ‘80’ waarover hij exposities hield in Groningen, Enschede en Arnhem. Zo hoopt Griffioen door te dringen tot de grote en gespecialiseerde fotomusea zoals Fotomuseum Amsterdam. “De documentaire fotografie wordt nog te weinig erkend als kunstvorm”, aldus Griffioen.
Verliezers van de modernisering
China is zijn tweede grote project. In 1993 publiceerde hij daarover het fotoboek ‘China in het voorbijgaan’ waarbij ‘voorbijgaan’ een dubbele betekenis heeft. De fotograaf gaat voorbij aan China en legt het China dat voorbijgaat, vast. Ook de Engelstalige titel “China’s Present Past’ is treffend. Griffioen legt het verleden vast dat (op dat moment) nog aanwezig was. Volgens Willem van Kemenade, destijds China-correspondent van NRC Handelsblad en schrijver van de inleiding, heeft Griffioen op indrukwekkende wijze de periode vastgelegd “waarin China’s mengsel van feodale traditie en communistische monotonie haar laatste fase beleefde.” Volgens hem heeft Griffioen “zijn moeizame fotografische ‘Odyssee’ opgedragen aan de verliezers van de modernisering: eenvoudige boeren en vissers, traditionele ambachtslieden, arbeiders in logge staatsondernemingen en zieken en behoeftigen die op het gratis elementaire gezondheidszorgsysteem teren.” Het is een treffende typering van deze tentoonstelling in de Bakermat, die nog loopt tot 30 januari en te bezichtigen is van maandag t/m vrijdag van 10 tot 12.30 uur.

