Dit jaar is het 75 jaar geleden dat 3.600 KNIL-militairen met hun gezinnen (in totaal 12.900 mensen) door de Nederlandse regering naar Nederland gehaald werden. Ze hadden met het Nederlandse leger meegevochten tegen de Indonesiërs en konden daar niet blijven toen Soekarno in 1950 besloot dat Indonesië geen federale staat (met een eigen deelrepubliek voor de Molukken) zou worden maar een eenheidsstaat. De Molukkers riepen daarop op 25 april 1950 de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) uit die onacceptabel was voor Soekarno. Omdat ze hoopten spoedig te kunnen terugkeren naar een eigen republiek, werden de Molukkers gehuisvest in barakkenkampen (eerst 56, later 72).
(Tekst Henk Donkers)
Eén ervan stond in Lage Mierde in Noord-Brabant. De centrale barak van dit kamp kwam in 2003 naar het Openluchtmuseum. Omdat de barak nodig gerestaureerd moest worden en de presentatie gedateerd was, is deze grondig opgeknapt en opnieuw ingericht. Vanaf zondag 12 april is deze na twee jaar restauratie en herinrichting weer open voor publiek.

De herinrichting is gebeurd in nauwe samenwerking met de nazaten van de achttien families die tussen 1954 en 1962 in barakkenkamp Lage Mierde woonden, veelal Molukkers van de derde generatie zoals Joey Lawalata, Djino Louhatapessy en Shalissa Schortinghuis-Pattinasarany. Hun inmiddels overleden opa’s en oma’s en ouders hebben in het kamp gewoond. Na de opheffing van het kamp zijn ze, op een paar gezinnen na, collectief verhuisd naar een Molukse wijk in Wormerveer, Noord-Holland.
Reconstructie kampleven
Samen met andere nazaten uit Wormerveer en met Let Bisschop en Hubert Slings (conceptontwikkelaar en wetenschappelijk medewerker van het Openluchtmuseum) hebben Joey, Djino en Shalissa gereconstrueerd hoe het was om in het kamp te wonen. De eerste generatie praatte er niet over, zeggen ze. Ze waren gefrustreerd en boos dat hun militaire status hun meteen na aankomst in Nederland werd ontnomen. Daarmee verloren ze ook hun identiteit en eigenwaarde. Ze hoopten dat ze snel zouden kunnen terugkeren (sommigen pakten hun koffers daarom niet eens uit), maar allengs raakte het ideaal van de RMS raakte steeds verder uit zicht. Ondertussen woonden ze, afgeschermd van de Nederlandse bevolking, dicht op elkaar in barakkenkampen, mochten niet werken en hun eigen maaltijden niet bereiden. Bij de centrale kampkeuken konden ze Hollandse kost zoals spruitjesstamppot ophalen waar ze dan zelf nog wat sambal aan konden toevoegen.
Veel geleerd over de eigen geschiedenis
Joey, Djino en Shalissa zeggen dat ze tijdens het participatieproces heel veel geleerd hebben over hun eigen geschiedenis door met elkaar en hun ouders te praten over het kampleven. “Er kwamen heel veel verhalen boven die we niet kenden, foto’s kwamen tot leven, puzzelstukjes vielen op hun plek.” Waar de eerste generatie niet over kon of wilde praten, lukte dat de derde en vierde generatie wel. Het drietal is tevreden en trots op de nieuwe inrichting van de barak, en wat zij daaraan hebben bijgedragen. Zoals een nieuwe presentatie over de koloniale geschiedenis van Nederland en de Molukken en de nieuwe diorama’s die dankzij hun inbreng een stuk authentieker geworden zijn.
Schril contrast
De Molukse barak bestaat uit drie delen. In het midden de centrale keuken waar een Hollandse kok de maaltijden bereidde die de Molukse gezinnen daar kon komen afhalen, tot in 1956 de ‘zelfzorgregeling’ werd ingevoerd. De barakken kregen toen een eigen keukentje. Links daarvan is de woning van beheerder Van Meel, die een eigen douche en toilet had, een huiskamer, een kantoortje en een aparte slaapkamer voor zijn dochtertje. Dit in schril contrast met de woonruimtes van de Molukse gezinnen. Zij moesten (ook ’s winters) naar buiten om naar de WC te gaan, te douchen of de was te doen. Hun woonruimte bestond uit een woonkamer en één slaapvertrek, van elkaar gescheiden door een kastenwand en een gordijn. Overigens was de verstandhouding tussen beheerder Van Meel en de Molukse families prima, aldus Joey, Djino en Shalissa.




Leuk artikel geworen alleen een foutje in mijn achternaam, het moet zijn Lawalata.