14 september 2026
11 min lezen

In de sporen van de Slag om Arnhem

Race to the Bridge 2025. Foto Adriaan van Hemert

Ras-Arnhemmer Dick Timmerman (70) is van jongs af aan gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog en de Slag om Arnhem. Als een soort Tweede Wereldoorlog-archeoloog speurde hij met een metaaldetector naar overblijfselen uit de oorlog en vond daarbij de stoffelijke resten van een vermiste Britse soldaat. In zijn woonhuis richtte hij een mini-museum in rond zijn vondsten. Dit jaar is hij mede-organisator van het 30e herdenkingskamp van de Airborne Battle Wheels Oosterbeek en met de Race to the Bridge volgt hij de sporen van de Britten in september ’44. Beide vinden deze week plaats.

(tekst Henk Donkers)

Dick Timmerman tussen zijn WW2-militaria. Foto Henk Donkers

Zoals bij veel Arnhemse huizen wappert dezer dagen ook bij Dick Timmerman de Airborne-vlag als opmaat naar de herdenking van de Slag om Arnhem. In zijn huis in de Burgemeesterswijk vindt een interne verhuizing en verbouwing plaats, zijn privé- oorlogsmuseum in de benedenverdieping – met honderden voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog – uit grotendeels ingepakt in dozen. Hij is gelukkig wel voldoende hersteld van een gebroken enkel om deze week mee te kunnen doen met het herdenkingskamp en de Race to the Bridge van de Airborne Battle Wheels Oosterbeek (ABWO), een organisatie die hij mee oprichtte en waarvan hij meer dan 25 jaar voorzitter was. Dit kamp en deze tocht zijn voor hem en zijn vrouw Tineke een jaarlijks hoogtepunt. Ze rijden zelf mee in een 82 jaar oude Britse jeep. Dick heeft hem onlangs weer uit de garage gehaald en na wat gepruttel sloeg de motor meteen aan en kon hij erin wegrijden. Hun engagement met de oorlog en de bevrijding gaat zover dat ze op hun bruiloft arriveerden in een jeep en oude uniformen. Ook gaan ze naar alle grote herdenkingen van D-Day op de stranden van Normandië.  

Het kamp van de Airborne Battle Wheels 

Herdenkingskamp in 2025. Foto’s Adriaan van Hemert

“Het kamp van de ABWO”, vertelt Dick, “organiseren we altijd in de week van 17 september, de dag waarop Operatie Market Garden in 1944 begon. Het wordt ingericht op het terrein van de J.P. Heijestichting in Oosterbeek. Het officiële programma begint op vrijdag, maar de eerste deelnemers arriveren al een paar dagen eerder. Dit jaar hebben we zo’n 200 deelnemers plus zo’n 25 mensen die helpen bij de organisatie en de catering. De deelnemers komen uit zeven landen. Zestig procent komt uit het buitenland, vooral uit het Verenigd Koninkrijk, maar er doen ook Belgen, Fransen, Tsjechen, Polen en Duitsers mee, en zelfs een Japanner. Met het kamp willen we mensen uit verschillende landen bij elkaar brengen die een belangstelling voor Britse voertuigen, kleding en uitrusting uit de Tweede Wereldoorlog met elkaar delen. Alles is Brits en zoveel mogelijk origineel. Er rijden dus geen Amerikaanse of Duitse voertuigen mee. De Duitsers die meedoen zien er in alles Brits uit. Het kamp is professioneel georganiseerd met tenten, douches, toiletten, water en elektriciteit. Op zondag is er een Brits ontbijt.”

Van klein en simpel naar groot en ingewikkeld

Dick organiseerde het evenement in 1996 voor het eerst met andere liefhebbers van Brits-oorlogserfgoed. Ze verwelkomden toen een stuk of twintig deelnemers. Dertig jaar later is het uitgegroeid tot een groot, internationaal evenement met een paar honderd deelnemers en veel publieke belangstelling. De organisatie ervan is in de loop der jaren steeds ingewikkelder geworden. Dick: “In 1996 kregen we een vergunning op basis van een aanvraag van één A4’tje. Tegenwoordig moet je een veiligheidsplan, een verkeersplan, een weerplan en een stikstofplan indienen. Hoe te handelen bij calamiteiten of extreem weer? Vrijwilligers als verkeersregelaar voldoen niet meer, ze moeten officieel zijn opgeleid en een certificaat hebben. Vanwege de stikstofregels mogen we maar een beperkt aantal voertuigen toelaten op de Ginkelse Heide. De organisatie is errug ingewikkeld geworden en wordt voor vrijwilligersorganisaties steeds moeilijker.”

Race to the Bridge

Tijdens de duur van het kamp rijden de Britse voertuigen in de omgeving rond, vaak met gasten zoals oorlogsveteranen of nabestaanden, en altijd naar plekken die een rol speelden in de Slag om Arnhem zoals de Ginkelse Heide. Hoogtepunt, zeker voor het publiek, is echter de Race to the Bridge, op zaterdagmiddag. Dick: “We rijden dan met een colonne van zo’n tweehonderd historische voertuigen van Renkum en Doorwerth via Oosterbeek naar de Rijnbrug in Arnhem, en daarna terug naar Oosterbeek waar we de voertuigen opstellen bij Hartenstein en het Airborne Museum zodat het publiek ze van dichtbij kan bekijken. Er rijden niet alleen jeeps mee, maar ook motorfietsen, al dan niet met zijspan, en ook historische fietsen zoals originele Britse parachutistenfietsen. Die konden worden opgevouwen en vervoerd tijdens de luchtlandingen. De herdenkingsrit past mooi bij de doelstelling van de ABWO: de voertuigen die bij de Slag om Arnhem gebruikt werden niet alleen bewaren, maar ook rijdend houden, en tegelijk de herinnering levend houden aan de soldaten die voor vrijheid vochten en sneuvelden.” 

Race to the Bridge 2025. Foto’s Adriaan van Hemert

Zelf rijden Dick en zijn vrouw Tineke ook altijd mee in hun Engelse Ford-jeep uit 1944. Ze genieten er met volle teugen van. De Race ot he Bridge is uitgegroeid tot een groot evenement dat duizenden bezoekers trekt. Dick: “Vooral in Oosterbeek en Renkum staat het publiek op veel plaatsen rijendik langs de route. En ook in Arnhem groeit de publieke belangstelling.”

Groot feest voor iets dat verkeerd is afgelopen

In de jaarlijkse herdenking van de Slag om Arnhem zit een merkwaardige paradox. Dick: “Als we met onze colonne terugkomen bij Hartenstein en het Airborne Museum in Oosterbeek worden we onthaald alsof we de oorlog gewonnen hadden. Als deelnemer krijg je door de enthousiaste reacties van het publiek het gevoel alsof je als bevrijder begroet wordt. De herdenkingen van De Slag hebben de sfeer van een bevrijdingsfeest, terwijl De Slag verloren is. De Britten snapten er in het begin niets van. ‘Oosterbeek lag in puin, Arnhem was verwoest, de hele bevolking werd geëvacueerd… en dan worden wij binnengehaald als een soort bevrijders’, zeiden ze. Het blijft vreemd dat er zo’n groot feest georganiseerd wordt voor iets dat verkeerd is afgelopen.”

Blinde vlekken in oorlogsgeschiedenis

Waar er elk jaar opnieuw veel aandacht is voor de verloren Slag om Arnhem vindt Timmerman dat er te weinig aandacht is voor wat er in Arnhem gebeurde ná september ’44 toen de bevolking geëvacueerd was maar de stad niet leeg was. Als uitzondering noemt hij het onderzoek uit 2025 van Karin van Veen naar de toestand in Arnhem als frontstad tussen de Slag om Arnhem in september ’44 en de bevrijding in april ’45. Duizenden dwangarbeiders verrichten toen graafwerkzaamheden aan de Panther-Stellung die de Duitsers aan lieten leggen omdat ze een geallieerde aanval vanuit de Betuwe verwachtten. Het zeer degelijke en uitgebreide onderzoek van Van Veen kreeg weinig publieke waardering en Van Veen heeft het onderzoek en de publicaties uit eigen zak moeten betalen. Beroepshistorici negeerden het, het Arnhems Historisch Tijdschrift nam niet eens de moeite het te bespreken. Ook de oversteek van de IJssel bij Westervoort in aanloop naar de bevrijding van Arnhem en de bevrijding van Arnhem zelf verdienen volgens Timmerman meer aandacht. Er zijn dus nog wel wat blinde vlekken. Heel veel weten we nog niet.

Als de laatste veteraan er niet meer is  

In de herdenkingen speelden veteranen tot nog toe een prominente rol. De Slag om Arnhem vond 82 jaar geleden plaats en veteranen die hem nog meegemaakt hebben zijn er bijna niet meer. Bij de 60e herdenking waren er nog meer dan 500 veteranen, bij de 80e nog acht en nu is er nog maar eentje die daadwerkelijk in de slag heeft meegevochten. Deze inmiddels 101-jarige Geoff Roberts van de King’s Own Scottish Borderers (KOSB) leeft nog en woont de herdenkingen nog altijd bij. Timmerman: “Er gaat altijd veel aandacht naar hem uit. Veel mensen willen met hem op de foto of willen hem een hand geven, wat je overigens heel voorzichtig moet doen want een stevige handdruk verdraagt hij niet meer.” 

De inmiddels 101-jarige Geoff Roberts woont ook dit jaar de herdenkingen weer bij. Roberts landde in september ’44 niet met een parachute op de Ginkelse Heide maar met een glider, een houten transportvliegtuig zonder motor dat werd voortgetrokken door een groot vliegtuig met motor. In de gliders zaten jeeps, motoren, fietsen en ander materieel. Roberts’ opdracht was de landingsterreinen te bewaken zodat er later meer geallieerde troepen en materieel veilig konden landen. Hij vocht in Oosterbeek rond Hotel Dreijeroord.Toen de Britten zich moesten terugtrekken, werd Roberts krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers en op transport gezet naar een krijgsgevangenkamp in Tsjecho-Slowakije waar hij als dwangarbeider in de kolenmijnen werkte. Aan het eind van de oorlog wist hij te ontsnappen naar de Amerikanen en kon hij naar Groot-Brittannie terugkeren.

Wat als er straks geen veteranen als Roberts meer aanwezig kunnen zijn bij de herdenkingen?  Timmerman: “Hun aanwezigheid gaf de herdenkingen een bijzondere betekenis. Ik keek zelf vroeger ook uit naar ontmoetingen met hen. Maar ik denk dat de herdenkingen ook zonder veteranen door zullen gaan als volgende generaties het verhaal overnemen. Daar ligt een taak voor gemeenten en scholen. Ze proberen nu   kinderen op een aansprekende manier in aanraking te brengen met deze geschiedenis. En met onze Airborne Battle Wheels en Race to the Bridge kunnen we deze geschiedenis zichtbaar en tastbaar maken. Ik verwacht dat de Britten daaraan blijven deelnemen. Hun traditie om veteranen en gesneuvelden te eren is heel sterk. Ik ben ervan overtuigd dat zij blijven komen.”

Opa’s zolder 

Waar komt Timmermans fascinatie en verzameldrift vandaan? Timmerman: “Het begon thuis. Mijn ouders hebben de Slag om Arnhem en de evacuatie daarna bewust meegemaakt. Er werd thuis veel over gepraat. Mijn opa was politieagent in de oorlog en waarschuwde onderduikers stiekem als er razzia’s op komst waren. Daar sprak hij overigens maar weinig sprak. Op zolder bewaarde hij spullen uit de oorlog zoals een Duitse bajonet en een onklaar gemaakt geweer. Als klein kind was ik vaak met mijn opa op zijn zolder.”

“Ik had al vroeg een mateloze belangstelling voor geschiedenis en overwoog zelfs om archeologie te gaan studeren, maar bedacht me. Nederland leek me daar niet zo geschikt voor. Ik ben weg- en waterbouw gaan studeren, heb bij Grontmij gewerkt en ben daarna 32 jaar docent geweest op Hogeschool Larenstein. Geschiedenis en archeologie werden mijn hobby.”

Speuren met een metaaldetector 

Samen met zijn broer Hans werd Dick een soort Tweede-Wereldoorlog-archeoloog. Ze speurden naar overblijfselen van de oorlog die in de grond waren achtergebleven. Timmerman: “In 1980 kochten we samen een metaaldetector. Daarmee gingen we aan de slag in de hoek van de Schelmseweg en de Deelenseweg in een stuk bos zonder dat we wisten dat daar tussen 1940 en 1948 het Duitse Ehrenfriedhof Zypendaal gelegen had. We hadden heel gauw beet en vonden er Duitse helmen, muntjes, naamplaatjes, beslag van doodskisten… Een van de helmen met het vage restant van een SS-rune-teken heb ik in mijn verzameling.”

Na deze vondsten gingen ze steeds meer plekken rond Arnhem en Oosterbeek afstruinen. Ook kwamen ze in contact met anderen die dezelfde hobby hadden, bezochten beurzen en kochten ook voorwerpen om hun eigen verzameling aan te vullen. Dick heeft inmiddels een collectie van honderden voorwerpen waarmee hij een eigen mini-museum heeft ingericht. De voorwerpen variëren van helmen en uniformen tot veldflessen en pioniersschopjes. “Maar de meeste affiniteit heb ik met wat ik zelf gevonden heb”, zegt hij. “En je weet zeker dat het echt is. Van iets wat je koopt, moet je het maar geloven. Persoonlijke waarde vind ik belangrijker dan geldwaarde.” 

Over geldwaarde gesproken, die is de laatste jaren flink gestegen. Er bestaat een levendige handel in dergelijke spullen. Timmerman: “Onlangs werd er ’s ochtends een complete parachutisten kitbag aangeboden voor maar liefst €9.200, ’s middags was hij al weg. Een goede parahelm doet tegenwoordig €3.000 tot €3.500 euro.” 

Een kitbag? Timmerman: “Dat is een plunjezak die geallieerde parachutisten aan hun been droegen tijdens de sprong. Daar zat hun uitrusting in. Voordat ze landden lieten ze hun kitbag die aan een touw vastzat, vallen. Die zak van 30 a 40 kilo raakte als eerste de grond. Als de parachutist met de kitbag op zijn lijf zou landen, zou hij gegarandeerd zijn benen of enkels breken.”  

De vondst van een vermiste soldaat      

De  vondst die Timmerman het meeste is bijgebleven, deed hij in 1985 langs de Ginkelse Heide. Timmerman: ”Het was een mooie maandagmiddag. Ik had een middag vrij genomen en ging met mijn metaaldetector naar een hoekje van de Ginkelse Heide waar ik nog nooit gezocht had, niet ver van de schaapskooi. Ik kreeg al snel een signaal en vond een handgranaat, een schopje en een veldfles. Het lijkt wel een uitrusting van de Britse soldaat, denk ik. Ik graaf verder en stuit dan op een ribbenkast. Ik krijg het nu wéér koud als ik eraan terugdenk. Ik ga erbij zitten en laat tot me doordringen wat ik gevonden heb, menselijke resten… Dat had ik totaal niet verwacht. Achteraf heel raar, maar het komt niet bij me op de politie te bellen. Ik ga naar huis, haal een fototoestel en een wit laken. Ik graaf het stoffelijk overschot volledig uit, het is een veldgraf, de resten liggen maar net onder het oppervlak, ik leg ze op het laken, maak foto’s, vertrek en bel dan de politie.”

“De volgende dag ga ik gewoon naar mijn werk en krijg ik bezoek van het hoofd bijzondere wetten en iemand van de gravendienst. Er volgt een huiszoeking. Ze denken dat van alles heb meegenomen dat belangrijk kan zijn voor de identificatie, maar ik had alleen wat munten, een morfinespuitje en nog wat klein spul. Amerikaanse en Duitse soldaten hebben een metalen identificatieplaatje. De Britten hebben er een van geperst karton en dat was vergaan na ruim 40 jaar. De identiteit van de soldaat kon niet worden vastgesteld door de bergings- en identificatiedienst van het leger.”

Bij toeval geïdentificeerd

“Een jaar later zijn mijn broer en ik er op bezoek om te kijken hoe ze omgaan met gevonden resten. Er liggen daar resten van een aantal Duitse soldaten en van de Brit die ik gevonden had. En toen zag mijn broer Hans ineens aan de binnenkant van de broekriem de naam W.J. Allen gekrast staan. Hij houdt zich bezig met de identificatie van vermiste soldaten en had net daarvoor een artikel gelezen in een blad van de gravendienst waarin de naam William John Allen als vermiste soldaat genoemd werd. Hij koppelde de naam in de riem aan de naam uit het artikel. William John Allen bleek een 19-jarige soldaat te zijn van het Army Air Corps. Sinds de oorlog stond hij al gemist geregistreerd… “

Buitengesloten

“Op een avond zit ik naar ‘Hier en Nu’ te kijken, het actualiteitenprogramma van de NCRV. En wat zie ik daar? Beelden van de begrafenis van de vermiste Britse soldaat William John Allen op de Britse militaire begraafplaats in Oosterbeek. Zijn moeder en zus, die nog in leven bleken te zijn, zijn erbij. Dat maakt me boos. Ik ben heel blij en opgelucht dat William John Allen geïdentificeerd is, een graf gekregen heeft met zijn naam erop en dat zijn familie afscheid van hem heeft kunnen nemen. Maar ik vind het heel pijnlijk dat Hans en ik erbuiten gelaten zijn. Het is wrang dat wij en andere zoekers beschouwd werden als een stelletje lijkrovers en daarom buiten de afhandeling en de begrafenis zijn gehouden.”

Naast William John Allen vonden Dick en Hans nog meer stoffelijke overschotten, maar de vondst van Allen greep hem het meest aan. Timmerman: “Die jongen was pas negentien toen hij uit het vliegtuig sprong, met zijn uitrusting op de Ginkelse Heide landde, meteen sneuvelde en meer dan veertig jaar als vermist te boek stond.”

Nog veel verborgen sporen

Ergens in de verhuisdozen liggen de veldfles en het tot dolk geslepen botermes van William John Allen te wachten op een nieuwe plek als Dick Timmerman na de verbouwing en interne verhuizing zijn eigen mini-museum weer gaat inrichten. Ondertussen blijft hij verder zoeken naar sporen van de Slag om Arnhem. Timmerman: “Er liggen veel sporen en voorwerpen verborgen onder de grond, niet alleen op de voormalige slagvelden, maar ook onder huizen. Laatst had een vriend zijn nieuwe huis op de Van Heemstralaan helemaal gestript en de vloeren eruit gehaald. De kruipruimte lag helemaal open. Ik vond daar een Duitse kaart van Berlijn, een opschrijfboekje, beeldjes, Nederlandse en Duitse voorwerpen… De kelder was doorgebroken naar die van de buren. Na de Slag om Arnhem en de evacuatie was het huis geconfisqueerd door de Duitsers. Ze hebben daar maanden gewoond en allerlei sporen en spullen achtergelaten. Er ligt nog zoveel oorlogsgeschiedenis verborgen onder huizen…” 

Meer informatie over het kampement van de Airborne Battle Wheels en de Race to the Bridge is de vinden op airbornebattlewheels.nl De Race to the Bridge start om 14.00u bij de Telefoonweg in Renkum, pauzeert tussen 14.45 en 15.00u op de Rijnkade in Arnhem bij de John Frostbrug en arriveert om 15.30u bij het Airborne Museum in Oosterbeek.

Geef een reactie

Your email address will not be published.

Vorige Bericht

Regen houdt lopers niet tegen tijdens Airborne Freedom Run in Arnhem

Volgende Bericht

Nieuw Arnhems fonds moet lokale energieprojecten op weg helpen

Laatste berichten

Ga naarBoven