Anne Muller (1941) maakt schilderijen die de toeschouwer beroeren. Ze zijn zowel teder als confronterend. De Tweede Wereldoorlog drukte een blijvend stempel op haar leven. Als jong Joods meisje werd ze gescheiden van haar ouders, maar wonderwel overleefden ze alle drie de oorlog in de onderduik, in tegenstelling tot vele familieleden. “Ik ben opgegroeid met dode familieleden”, zegt ze. “Mijn moeder vertelde veel over hen.” Om haar traumatische ervaringen te verwerken ging ze na haar vijftigste schilderen. “Ik kon er niet over praten, maar ik kon het onzegbare wel uitbeelden. Schilderen is voor mij geen keuze, maar noodzaak. Om te overleven.” Van 16 mei t/m 7 augustus is er in de grote zaal van wijkcentrum Bakermat een overzichtstentoonstelling van haar werk.
(Tekst en foto’s Henk Donkers)
In haar bovenwoning in Arnhem, waar ze al ruim dertig jaar woont, kijkt Anne Mulder (85) terug op haar bewogen leven en haar werk. Haar huis hangt vol met haar schilderijen en boven op haar werkkamer – een atelier wil ze het niet noemen en zichzelf ook geen kunstenaar – staan ze rijen dik. Ze maakt veel grote schilderijen. “Ik zou eigenlijk nog wel grotere willen maken, maar daar ben ik met mijn 1.53 te klein voor”, zegt ze.
Straks hangt misschien wel (bijna) haar hele oeuvre in de Bakermat. “Dat is een raar gevoel,” zegt ze. “Nu het hier in mijn huis hangt, is het echt van mij. Als het straks in de Bakermat hangt, voelt het alsof het van anderen is. Dat is vervreemdend. Mijn schilderijen zijn zó van mij. Toch wil ik ze tentoonstellen.”
Familiealbum
Anne schildert veel portretten of gezinssituaties op basis van foto’s uit het familiealbum. Boven de bank in haar huiskamer hangt een enorm portret van haar dode oom Levi. In de gang hangt een schilderij waarop zij met haar ouders staat een paar maanden na de geboorte haar zusje. In haar huiskamer staat de foto uit 1946 waarop het schilderij gebaseerd is.


Anne: ”Als kind van anderhalf werd ik gescheiden van mijn ouders. In eerste instantie doken we samen onder maar dat werd te gevaarlijk. Een huilend kind zou hen en de onderduikgevers kunnen verraden. Ik werd meegegeven met verzetsmensen. Ik werd acht maanden ondergebracht bij twee gezinnen in Arnhem, maar daar kon ik niet blijven. Door Tiny van der Bilt, die het leven gered heeft van 112 Joodse kinderen, ben ik toen helemaal naar Neerkant bij Deurne gebracht. Daar werd ik opgenomen in een groot katholiek gezin, waar ik bijna drie jaar gewoond heb. Moeke en papa Thijssen waren fantastische mensen. Ik hoorde gewoon bij hun gezin, zei ‘moeke’ en ‘papa’ tegen ze, ging mee naar de kerk, leerde bidden, deed voor het slapengaan mijn avondgebedje voor een groot schilderij van Jezus in een prachtig blauw gewaad met zijn armen wijd gespreid. Ik at gebakken spek. Is helemaal niet koosjer; ik eet het niet meer maar vind het nog steeds zó lekker ruiken. Ik had er een hele goeie tijd.”
Hereniging
“Na de bevrijding hebben mijn ouders heel veel moeite gedaan mij terug te vinden? Ze wisten niet of ik nog leefde en waar ik was. Ze plaatsten advertenties in kranten, deden her en der navraag, namen contact op met verzetsmensen. Eén keer dachten ze mij gevonden te hebben. In Hengelo zou een Joods meisje met rood haar van mijn leeftijd zijn opgenomen. Maar toen mijn vader daar aankwam bleek het een jongetje te zijn. Uiteindelijk hebben ze mij via via in Neerkant gevonden. In een trein zonder ruiten zijn ze daarheen gereisd. ’s Avonds om 10 uur kwamen ze aan bij de boerderij en zeiden dat ze de ouders van Anneke waren. Moeke Thijssen wilde zekerheid, haalde een lamp en hield die voor het gezicht van mijn moeder. ‘Ja, jij bent de moeder’, zei Moeke. Voor het pleeggezin en mij brak een moeilijke tijd aan. Ik was al drie jaar onderdeel van hun gezin en nu moesten ze me afstaan. En voor mij waren mijn ouders onbekenden. Ze hebben een paar weken bij de familie Thijssen gelogeerd, maar op een gegeven moment zijn we naar Arnhem afgereisd. Mijn vader heeft het hele verhaal later uitgebreid opgeschreven, ook als een soort verwerking. Daarom weet ik het. Maar van de hereniging zelf kan ik me helemaal niets herinneren. Wel van de tijd ervoor op de boerderij, maar niet van het weerzien met mijn ouders.”
“Mijn eerste herinnering van daarna is de geboorte van mijn zusje in 1946 en dat ze heel ziek was. Daarom is deze foto waarop we met ons vieren een gezinnetje vormen zo belangrijk voor mij en heb ik deze situatie vaak geschilderd. Mijn moeder houdt mijn ziekelijke, magere zusje in haar armen, maar ik sta daar maar zo’n beetje, zo van ‘wat doe ik hier?’.”
Zoals er een ingewikkeld verhaal achter dit schilderij zit, zo is dat ook bij andere schilderijen van Anne het geval.
Angst en onzekerheid
De familie Thijssen is na de oorlog, zoals veel families uit de Peel, naar Canada geëmigreerd. Sinds vorig jaar heeft Anne contact met een kleindochter. Anne: “Die vertelde dat ze van haar moeder gehoord had dat ik een heel angstig kind was, toen ik in Neerkant aankwam. Ik had daarvoor een hele tijd verstopt gezeten op een zolder. Volgens mij is het nooit meer goed gekomen met mij: de angst en onzekerheid zijn altijd in me blijven zitten. Nog steeds. Daarom raken het oplaaiend antisemitisme en de Jodenhaat me elke keer weer zo diep.”
Schilderen als verwerking
Anne is pas heel laat, na haar vijftigste, gaan schilderen. “Om mijn oorlogservaringen, die ik altijd had weggestopt, te verwerken ging ik in therapie, maar ik kon er niet over praten. Tijdens de creatieve therapie ben ik gaan schilderen; daarin kon ik me wel uitdrukken. Wat ik niet kon zeggen, kon ik wel uitbeelden.”
Sacha Barraud maakte over deze periode in Anne’s leven een prachtige film met de veelzeggende titel ‘De terugkeer van Anne Muller. Ervaringen van een oorlogskind’. Anne: “De titel heeft een dubbele betekenis. De film gaat over mijn terugkeer na de oorlog én over dat ik er na mijn vijftigste weer echt was.” De film is te zien tijdens de expositie.

Tederheid en pijn
Anne schildert vaak familieleden, maar “mijn schilderijen gaan vooral over mij”, zegt ze. “Ik schilder mijn dode familieleden op basis van foto’s en de verhalen, vooral van mijn moeder, maar ze hoeven niet precies te lijken. Ik blijf niet trouw aan de foto. Ik laat de foto los, gebruik een uitdrukking of een houding, maar uiteindelijk worden het mijn gezichten. Neem het schilderij van mijn oom Levi dat daar hangt. Als iemand van vóór de oorlog het schilderij zou zien, zou hij hem misschien herkennen aan zijn haar, maar niet aan zijn gezicht. Het is mijn gezicht van hem. Ik kan helemaal geen gelijkende portretten schilderen, probeer dat ook niet.”
Haar portretten ogen lieflijk, teder en zacht, maar verbergen ook een diepe pijn. Anne: ”Dat is mijn pijn. Die is niet altijd direct te zien, maar ik weet dat die erin zit. Als het schilderij af is, heb ik waarschijnlijk toch iets verwerkt.”
De kleine Adolf
Eén keer schilderde ze – heel groot – een niet-familielid. “Ik ben er trots op dat ik dat heb aangedurfd. Het heet ‘De kleine Adolf’ en is gebaseerd op een bekende foto van hem. Ik heb hem snel geschilderd met acrylverf, niet op doek maar op papier, zonder kleur. Kijk eens, wat een argeloze baby. Zo’n klein mannetje. Ja, hij dus…”
Overigens is ze niet snel tevreden. “Er zijn doeken waar ik wel tien keer overheen ga. Ook dat is een vorm van verwerken. Ik werk zonder vooropgezet plan, ik teken of schets geen contouren. Ik begin direct op doek. Soms loop ik vast. Dan pak ik een doek en veeg ik alles weg, als het nog nat is. Soms ga ik ook te ver door en zie ik dat het eerder beter was. Dan ga ik weer terug. En als dat niet kan, pech gehad. Mijn schilderijen zijn van wisselende kwaliteit.”
Anne vindt dat ze een verhaal te vertellen heeft en dat wil ze in de tentoonstelling delen met anderen. Specifieke verwachtingen heeft ze daarover niet. “Op wat toeschouwers voelen heb je geen invloed. De een loopt voorbij, een ander wordt geraakt of moet huilen. Voor mij houdt het op als een schilderij aan de muur hangt.”
WIE IS ANNE MULLER?

Anne Muller werd op 10 februari 1941 tijdens een bombardement als Elia Anne geboren in het Diaconessenhuis naast waar nu de Bakermat is. Ze woonde daarna op de Geitenkamp. Haar ouders kwamen oorspronkelijk uit Enschede. Vader Hein Muller was vertegenwoordiger in knopen en paraplu’s, moeder Rebecca Frank werkte bij de HEMA. Ze trouwden in 1939. Anne was hun eerste kind. Snel na haar geboorte moesten ze onderduiken. Haar ouders zaten drie jaar ondergedoken tegenover de Walburgiskerk in Arnhem en kwamen al die tijd niet buiten. Tijdens de Slag om Arnhem in september 1944 vluchtten ze naar Velp waar ze nieuwe onderduikadressen vonden. Anne hadden ze om veiligheidsredenen na een half jaar onderduik in handen van het verzet gegeven en vonden haar pas in 1945 weer terug. Haar onderduikouders noemden haar Anneke. Een groot deel van de familie overleefde de Holocaust niet.
Anneke volgde de mode-academie, maar begon pas na haar vijftigste te schilderen als therapeutische verwerking van haar oorlogservaringen. Toen veranderde ze haar naam in Anne. Na haar zeventigste volgde ze bij ArtEZ de opleiding ‘Upgraders in art’ met onder andere Rinke Nijburg als docent. Hij opent de tentoonstelling die muzikaal omlijst wordt met Klezmer-muziek van Asjkenazische Joden uit Oost-Europa waar Anne vanaf stamt. Ze exposeerde eerder in Ellecom, Velp en het Joods monument in Den Bosch. De provincie Gelderland heeft drie werken van haar aangekocht voor de provinciale kunstcollectie.